Op de laatste werkdag van februari hoorde ik dat mijn ontslag per 1 maart geregeld zou zijn.
Het was een schrikkeljaar, dus een dag langer voor het afscheid. Met een groep lieve collega’s eindigden we de dag in een cafeetje. Ik zie ons nog zo in een kring staan. Met een goede dosis lachende zelfspot vertelde ik dat ik misschien wel trainer of facilitator wilde worden. Die had ik bij die werkgever meerdere malen meegemaakt, het leken me geweldige rollen. Maar ja, ik dacht dat ik daar psychologie voor had moeten studeren of in ieder geval iets totaal anders dan wat ik had gedaan. Dus zou het wel een droom blijven.
In de periode na dat cafeetje lachte ik minder dan die dag zelf. Zonder baan, in een outplacement traject dat ik eigenlijk niet wilde, deed ik vrijwilligerswerk en dacht vooral na over ‘wat ik ook al weer wilde worden als ik later groot zou zijn’.
Dat outplacement traject, dat ik 𝘦𝘤𝘩𝘵 eigenlijk niet wilde, leverde me wel iets op. Dat die wens om het leer- en ontwikkelvak in te gaan toch niet zo ver van mijn bed hoefde te zijn. Ik belde met mensen uit de branche, verontschuldigde me te veel en te vaak voor mijn vragen maar trechterde me zelf wel naar de juiste richting.
In dezelfde week dat ik met een nieuwe baan begon, startte ik een vakopleiding voor gedragstrainers. Heel even leek er een hobbel te zijn. De opleidingsfolder meldde: 𝘖𝘮 𝘷𝘰𝘭𝘥𝘰𝘦𝘯𝘥𝘦 𝘵𝘦 𝘭𝘦𝘳𝘦𝘯 𝘷𝘢𝘯 𝘥𝘦 𝘷𝘢𝘬𝘰𝘱𝘭𝘦𝘪𝘥𝘪𝘯𝘨 𝘪𝘴 𝘩𝘦𝘵 𝘦𝘴𝘴𝘦𝘯𝘵𝘪𝘦𝘦𝘭 𝘥𝘢𝘵 𝘫𝘦 𝘥𝘦 𝘴𝘵𝘰𝘧 𝘮𝘦𝘵𝘦𝘦𝘯 𝘬𝘶𝘯𝘵 𝘵𝘰𝘦𝘱𝘢𝘴𝘴𝘦𝘯 𝘪𝘯 𝘦𝘦𝘯 𝘦𝘪𝘨𝘦𝘯 𝘵𝘳𝘢𝘪𝘯𝘪𝘯𝘨.
Ik was de enige uit ons leerjaar die niet al trainer was, of in een HR-achtige werkomgeving werkte. Dit keer was ik vastberadener dan die ene laatste werkdag. Ik nodigde vrienden, buurvrouwen en vrienden van buurvrouwen uit en maakte groepjes om ’s avonds in onze woonkamer mini-trainingen te geven. Zittend in een kring. Met mijn telefoon filmde ik de avonden, om er van te leren.
Hier zet ik net de camera weer uit. Acht maanden na de vaststellingsovereenkomst aan het begin van wat mijn tweede werkleven zou worden. De cirkel was rond.